Pannenkoek
De orgelles op woensdagmiddag was de ingangseis om lid te worden van een voetbalclub. Natuurlijk wilde ik op voetbal. Logisch! Er waren echter serieuze belemmerende factoren.
Ik judode al en bovendien had ik zwemles. Dat hoort bij de opvoeding en het is inderdaad handig om te kunnen zwemmen. Niet dat ik er geen enorme hekel aan had.
Op zondagochtend moesten mijn zusje en ik ons op een abnormale tijd vervoegen in het Prins Willem Alexanderbad in Geleen. Als ik er aan terugdenk, zie ik een enorm zwembad voor me. Ik heb me er nooit op mijn gemak gevoeld. In geen enkel zwembad trouwens. De banen waren oneindig lang en er klonk een constante, angstaanjagende herrie. Dat geluid kwam van het geschreeuw van pubers die mij met hun lompe gespat meerdere malen rode ogen bezorgden. Verder krijsten er vanuit alle hoeken kleine kinderen hartverscheurend. Daaroverheen schreeuwden de badjuffen hun aanwijzingen terwijl ze achteruit liepen en hengelend een haak die leek op een enorm tandartswerktuig boven het water hielden. In die entourage heb ik leren zwemmen.
De judolessen werden gegeven door een kleine, gedrongen, bloedserieuze man die onder zijn lessen en passant zijn zoon die bij mij in de groep zat, een ADHD’ er van het zuiverste water, manieren leerde. Ik heb hier geen slechte herinneringen aan, want ik voelde wel aan dat deze judomeester zijn les nooit zou laten ontsporen. De grotere jongens en hoger geschoolde judoka’s lieten het wel uit hun hoofd om ons, beginners, aan te pakken. Uit een waarschijnlijk volkomen terechte angst voor de represailles van de opperjudoka.
Hoewel de lessen te doen waren, heb ik er niets aan gehad. Als ik ongelukkig val, breek ik net zo goed mijn arm als iedereen, ondanks de kunst van het “valbreken” die ik daar in Geleen op die benauwde zolder heb geleerd. Die kunst was, dat je tijdens het op de grond komen zo hard mogelijk met je arm op de mat moest slaan. Beetje dubbelop lijkt me. De trucs die ik leerde, waren ook niet van dien aard dat ik me nu des avonds op mijn gemak door Hoog Catherijne begeef. Misschien had ik door moeten zetten na de oranje band, maar ik waag te betwijfelen of judo me ooit uit een benarde situatie had kunnen redden.
Omdat we thuis niet van de straat waren, was muziekles onvermijdelijk. Mijn moeder bepleitte een piano. Mijn vader echter prefereerde een muziekinstrument waaraan een stekker zat. Een orgel dus. Met welke argumenten hij mijn moeder heeft kunnen overtuigen, weet ik nog steeds niet, maar feit was dat wij ineens een orgel in ons huis hadden staan. Een groot bruin apparaat met pedalen aan de onderkant, een ritmebox rechts en twee rijen toetsen. Een Cosmovox F10. Nadat mijn vader en ik alle ritmes meerdere malen hadden laten spelen, daarbij een rode toets indrukkend (waaronder een lampje zat!) waardoor je maar 1 toets hoefde aan te slaan om een akkoord te horen, greep mijn moeder in: iedereen ging op les, want het was geen speelgoed. We volgden de lessen in een ruimte achter een muziekzaak die gespecialiseerd was in orgels in het algemeen en Cosmovoxen in het bijzonder. Mijn zusje en ik hadden elke woensdagmiddag les, mijn ouders waren zaterdagochtend aan de beurt. In het begin ging het nog wel aardig. Tenminste bij mijn zusje, mijn moeder en ik. Mijn vader daarentegen had een lastig probleem dat eigenlijk onoplosbaar bleek.
Toen hij het vijfde liedje wilde leren, heeft hij helaas moeten afhaken omdat zijn vingers te breed waren voor het F-akkoord dat in dat liedje voor het eerst aan bod kwam. Ik ben tot nummer zestig gekomen. Jaren ben ik op woensdagen naar de orgelles geweest. Meestal met pijn in mijn maag, omdat ik in plaats van 1 uur per dag, 20 minuten per week oefende. Daarbij kwam dat we een rapport kregen. Ellendig. Ik had telkens een 5.5 of 6- voor Vlijt wat thuis nogal wat gelazer opleverde. Met mijn moeder. Mijn vader bemoeide zich met dit deel van de opvoeding niet zo. Toch had die orgelles ook goede kanten: ik kan noten lezen en ik speel nog steeds met verve liedje -40- Taxi’s of Paris-, een prachtnummer waarin je ook alle pedalen in een soort solo moest gebruiken.
Veruit het belangrijkste was echter dat ik met de orgellessen als wisselgeld, de judolessen mocht inruilen voor een heus lidmaatschap van een voetbalclub. Een raadselachtige opvoedkundige goocheltruc, maar ik vond het een werelddeal: alsof je bij het wisselen heel veel dollars krijgt voor je gulden.
Nu gaat het erom mijn herinneringen helder te krijgen. Sommige zijn haarscherp, andere wat vervaagd. Allereerst moest ik een voetbalclub kiezen. Dat was simpel, want bijna alle jongens in mijn klas voetbalden bij sv. Sweikhuizer Boys te Sweikhuizen. Op ongeveer dezelfde afstand van ons huis lag weliswaar het veld van sv Schinnen, maar daar voetbalde bijna niemand die ik goed kende. Alleen wat jongens die familierelaties in Schinnen hadden en dientengevolge daar hun sporen verdienden.
Ik had geen torenhoge verwachtingen van mijn voetbalkunsten. Ik zag de Boys niet als een opstap naar een grotere club of iets dergelijks. Mijn inschatting bleek helemaal goed te zijn.
Wel verwachtte ik een professionele organisatie en een entourage die dicht in de buurt van een eredivisiewedstrijd zou komen. Alleen dan met kleinere spelertjes. Dat bleek een misvatting. Om me te oriënteren ging ik samen met mijn vader een oefenwedstrijd van mijn toekomstige team kijken. De jongens speelden tegen Schinnen. Wat me tegenviel, was dat de spelers niet allemaal op een rij gingen staan om vervolgens met een simpel handgebaar het publiek te groeten. Ik begreep best dat voor een oefenwedstrijd geen volkslied gespeeld zou worden, maar “gewoon” beginnen, was het andere uiterste. Daarbij kwam dat de scheidsrechter in een trainingspak liep en de grensrechters vaders waren die in hun gewone kleren onwennig langs de lijn stonden met een geleende vlag. Zo moest het dus niet. Ik weet dit in eerste instantie nog aan het verschijnsel oefenwedstrijd, maar helemaal gerust was ik er niet op.
Wat wel goed was, was dat Sweikhuizen geheel in het wit speelde en niet in hun blauwwitte tenue omdat de tegenstander normaliter ook in een blauw shirt speelde. Er waren dus twee tenues!
Het was echter nu helemaal niet nodig geweest, omdat Schinnen deze uitwedstrijd in oranje shirts speelde. Communicatie! Zo belangrijk. De nummers ontbraken op elk shirt. Jammer.
De wedstrijd zelf eindigde in 0-0 wat ik goed vond, want dat is een stand die in het echt heel vaak voorkomt. Beter dat, dan 0-6, of 7-3 of iets dergelijks. Tactisch stond het in elk geval goed. Dat was een hele geruststelling.
Vanaf dat moment volgde ik wekelijks de trainingen. Die vielen me een beetje tegen. Belangrijkste minpunt was dat we nooit op echte goals trainden. Met netten bedoel ik. Ik herinner me dat we een keer penalty’s mochten schieten op het hoofdveld. Helaas schoot ik als enige tegen de keeper aan, die ook niet wist wat hem overkwam.
Na de training stonden op een groot zwart bord in de kleedkamer de namen van de jongens die de volgende zaterdag mee mochten doen. Ik hoorde bij het groepje dat na elke training nerveus het bord scande op de eigen naam. De eerste twee keren stond ik er niet bij wat niet onlogisch was, want ik kwam net kijken. Maar na de derde training stond mijn naam erop. Vrij ver onderaan en verkeerd geschreven, maar het ging om mij!
Tot mijn grote schrik besefte ik dat ik die zaterdag helemaal niet kon voetballen omdat mijn ouders meenden op wintersport te moeten gaan. En ik moest mee. Nou klinkt wintersport heel leuk, maar wij gingen langlaufen wat toch een soort wandelen in de sneeuw is. En juist dat wandelen ergens in Zuid-Duitsland zou mijn debuut doorkruisen. Uiteraard heb ik geprobeerd mijn ouders op andere gedachten te brengen. We zouden een dag later kunnen vertrekken in plaats van direct na school. Ik zou zo met mijn voetbalkleren nog aan in de auto kunnen springen en we zouden weg kunnen scheuren. Maar nee, dat was te koud en er kwamen nog genoeg wedstrijden. Ook de volgende keer dat ik op het bord stond, uit tegen Quick Geleen, werd mijn debuut uitgesteld omdat de wedstrijd wegens de weersomstandigheden, die wat mij betreft reuze meevielen, afgelast werd.
Toen ik enkele weken later, thuis tegen De Ster uit Stein eindelijk mocht spelen, was ik op van de zenuwen. Ik stond rechtsback en we wonnen de wedstrijd met 3-0. Omdat de shirts van de club op waren, had mijn moeder een shirt voor mij gekocht. Dit was echter van een andere kleur blauw dan dat van mijn teamgenootjes wat me een status aparte gaf waar ik niet op zat te wachten. Het veld was overigens enorm groot. Op de training stond ik nog wel eens op de goede plek en pikte ik mijn doelpuntje mee. Soms maakte ik mezelf wijs dat ik een neus voor de goal had. Die neus was ik in de wedstrijd echter volledig kwijt. Ik voelde me verdwaald op dat grote veld. Dat had mede te maken met mijn plichtsbesef. Als rechtsback voelde ik mij sterk gebonden aan de rechtsachterpositie en aangezien de hele wedstrijd zich op de helft van De Ster afspeelde, kwam ik in het stuk niet voor. Mijn collega-voetballers hadden er geen last van, die stortten zich als een roedel wilde honden op de bal. Bij een corner van ons heel ver weg aan de overkant, heb ik, nadat ik goed gekeken had of niemand me zag, een paar maal gedecideerd met mijn witte broekje over het gras geschuurd, om een groene schijn erover te krijgen, zodat het leek alsof ik als rechtsback behoorlijk vaak had moeten ingrijpen met een sliding. Ondanks dat werd ik in de rust gewisseld.
Mijn grauwe debuut was een perfecte vooruitwijzing naar mijn verdere carrière. Nooit in de as gespeeld, nooit gescoord, zelfs nooit een volledige wedstrijd gevoetbald. Ik was zelfs niet de perfecte twaalfde man. Het eufemisme voor de voetballer die niet goed genoeg is voor de basiself maar die bij blessures of schorsingen van anderen zonder veel schade aan te richten, kan meehobbelen.
Overigens is sv Sweikhuizer Boys inmiddels opgeheven. In onze vroegere kleedkamer zit nu De Bokkenrijder: het adres voor een overheerlijke pannenkoek.