Herbergpost

Herbergpost

Ralf Mohren  //  

Jan 1 / 1:15pm

Blauwe kiekendief

Ik was benieuwd hoe het rookverbod bij hotel Van D gevallen was. Niemand rookte toen ik binnenkwam en dat verbaasde me. Het hotel kenmerkte zich in het verleden door de stevige rookpluim die er steevast in de gelagkamer hing. Het personeel leek mede aangenomen te zijn op voldoende rookervaring.

Ook op andere schijnbaar irrelevante eigenschappen voor het hotelbedrijf trouwens. Om te beginnen is er aan iedereen iets niet helemaal in de haak. Vaak kijkt men scheel. Liefst met één oog. Waarschijnlijk is dat om een werkelijkheid te achterhalen die gewone mensen niet kunnen zien. Verder gaat eenieder in pak gekleed. Dit luistert echter nauw, nu goed opletten! Het pak moet net niet helemaal lekker zitten. Te korte broekspijpen bijvoorbeeld zijn goed. Een rare vlek net onder de kont, prima! Heel ruim of het jasje knellend om de buik. Mag ook. Vrouwen in de bediening? Liever niet. Tenminste niet in de gelagkamer. En roken dus. Shag. Liefst gedraaid uit een leren shagbuil. Op elk onbewaakt moment. Tijdens het tappen ligt er altijd een shaggie te smeulen in zo’n metalen asbak

Maar dat was er allemaal niet meer. Misschien laat op de avond na het sluiten van de gordijnen. Maar ’s middags dus niet.

Het personeel is geheel verweven met het hotel. Je vraagt je af of de obers, want dat zijn het, na hun dienst even oplossen om vervolgens de dag erna weer geactiveerd te worden.

In dit kader was het voor mij dan ook uiterst teleurstellend één van de keyfiguren des hotels (denk aan een magere ex-postbode of brandweerman, met een hangend oog en voldoende onderhuidse woede om in korte tijd heel veel schade aan te richten), buiten het hotel te zien. En niet om een bestelling op het terras op te nemen, wat ik volkomen legitiem zou vinden. Liefst een beetje zwierig, zichzelf een klein, fijn grapje gunnend. ‘Verse jus? De jus is hier altijd vers, meneer!’ Met een opschrijfboekje waarin het biermerk van het hotel staat. Brand. Opschrijven, puur voor de vorm. Het hoort er nu eenmaal bij. Bij het oberen. Hoeft niet, want hij onthoudt alles! Soms schrijft hij ook heel andere dingen op. “Boot”. Of “blauwe kiekendief”.

Maar nee, ik zag hem uit de Spar-supermarkt aan de overkant van de straat komen. Hij keek onrustig rond. Toen verdween hij weer en even later - en dat vond ik wel weer heel goed - zag ik hem op een ouderwetse herenfiets wegfietsen met één hand aan het stuur en de andere hand geroutineerd rustend op een groene krat Heineken die op het bagagerek stond. 

Gelukkig had hij zijn pak aan, de panden van zijn jas waaiden omhoog.

Dec 30 / 2:59pm

Gelukwensen aan Cor Brom

Gelukwensen aan Cor Brom

 

Weken had ik gezeurd en ineens – waarom nu wel kan ik me niet herinneren- was het zover. Mijn vader en ik (9) zouden samen naar het voetballen gaan.  Echt, in een stadion!

Mijn belangstelling voor voetbal had zich gedurende dat jaar langzaam maar gestaag ontwikkeld. Gevoed door de Studio Sport-uitzendingen op zondagavond en de verhalen van mijn vader en opa over vroeger: Fortuna ’54 dat was pas voetbal. Frans de Munck, de zwarte panter, hing soms aan de lat. Om het publiek te vermaken. Veel had hij immers niet te doen, want Fortuna speelde onaards voetbal.  Ik kreeg van mijn opa een speldje van Barcelona. Die club had dat speciaal laten maken voor de wedstrijd tegen Fortuna, tenminste dat was mijn conclusie. Inmiddels was Fortuna echter gefuseerd met Sittardia en leidde de club een vrij droef bestaan in de eerste divisie. 

We gingen niet naar Sittard, want daar zou alleen maar afbreuk gedaan worden aan het beeld dat ik, door mijn vader en opa zorgvuldig opgebouwd,  in mijn hoofd had. Fortuna was Geleen en van vroeger en daar had het Fortuna sc van nu helaas weinig meer mee te maken. Dan maar twintig kilometer verder naar Kerkrade. De mensen spraken er weliswaar een raar Duits dialect, de plaatselijke club speelde in elk geval wel eredivisie. Bovendien voetbalde Dick Nanninga er. Een speler voor wie ik een enorm zwak had. Ik kan op geen enkele manier meer terughalen waar dat vandaan kwam: hij leek in niets op de sierlijke spelers die mij voorgespiegeld waren door mijn vader en opa. Hoe die dingen werken, het is een raadsel.

Wat zeker meespeelde bij onze keuze Kerkrade in plaats van Sittard te bezoeken, was het affiche: Ajax kwam op bezoek. Ajax kende ik van Studio Sport. Wedstrijden werden vaak gemakkelijk en met grote cijfers gewonnen. Bovendien had de club een shirt dat zelfs op onze kleine zwartwittelevisie mooi was.

Het was een avondwedstrijd, wat natuurlijk het mooiste is. Toen we naar Kerkrade reden, was het nog licht, het was mei. Maar zelfs als de wedstrijd in oktober gespeeld zou zijn, zou het nog licht zijn geweest. Mijn vader wilde namelijk altijd en overal veel te vroeg aanwezig zijn met het oog op onverwachte calamiteiten.  Een eigenschap die ik altijd op prijs heb gesteld en inmiddels volledig heb overgenomen. Doordat we vroeg waren, kon mijn vader gemakkelijk parkeren. Iets waar hij ongetwijfeld tegenop zag. We woonden in een klein dorpje waar nooit massa’s van twintigduizend mensen samenkwamen, dus parkeren was en is daar geen enkel probleem. Hoewel we ruim voor de wedstrijd naar het stadion wandelden, liepen we tussen honderden jonge mannen langs de lange weg die in Kerkrade naar Kaalheide leidt. Sommigen met geschminkte gezichten en lakens om met teksten erop. Ajax-fans zo wist ik. Ze zongen liedjes en liepen over straat alsof ze thuis waren. Schmink was mij bekend van het jaarlijkse vrolijke carnavalsfeest, maar hier ging toch een lichte dreiging van uit.Verhitte koppen die rood en wit waren.

Blijkbaar kende mijn vader de weg, want we stonden zo maar ineens in de kantine van Roda.  En, toen, ik had even niet opgelet, bevangen door de entourage, stond mijn vader daar gewoon te praten met Cor Brom, de trainer van Ajax! Nadat mijn vader hem succes gewenst had, verdween de coach weer. Ongetwijfeld om zijn spelers tips te geven. Dit was vreemd. Mijn vader, biologieleraar te Geleen, wenste Cor Brom, trainer van Ajax geluk. Na overleg met mijzelf besloot ik dit niet als verraad te beschouwen.

Weer terug in het stadion kocht mijn vader een vaantje van Roda jc voor mij. Een vrouw op leeftijd verkocht de souvenirs in een houten kraampje. Ze drukte mij op het hart het vlaggetje weg te stoppen, opdat onverlaten uit Amsterdam het niet af zouden pakken. Ik moest goed luisteren om haar te verstaan en weet bijna zeker dat ze toen ze het wisselgeld teruggaf het over ‘Pfennige’ in plaats van centen had. ‘Fufzig Pfennige’ dat zei ze. Ik stopte het vaantje onder mijn trui; de houten punten van het mechanisme prikten in mijn borst.

We liepen naar de tribunes, die inmiddels vol waren en vonden een plekje onderaan tegen een hek. Niet dat het mij veel uitmaakte: door het hek keek ik naar de spelers op het veld die hun warming up deden. Mijn vader achter mij, in gesprek geraakt, met enkele Kerkradenaren, bleek ineens weer te roken! Ik herkende het goudbruine pakje Caballero waarvan ik dacht dat het voorgoed uit zijn leven verdwenen was. Het leek me nu niet het moment hier een enorm punt van te maken. Bovendien drukte hij me een Cornetto in de hand. De conclusie was gauw getrokken: mijn vader mocht van mij roken en ik zou mijn moeder hier niet van op de hoogte stellen.

De wedstrijd begon, de Ajax-fans zongen liedjes. Onder andere over Ray Clarke, een Ajax-speler. Ray Clarke, wat een naam! Ray Clarke, James Dean, Elvis Presley, Leo Ehlen. Wie hoort er in dit rijtje niet thuis?

Roda kon niet winnen die avond, dat was me al meteen duidelijk. Mijn vader had Cor Brom geluk gewenst. Daar kon zelfs Dick Nanninga niet tegenop.  De doelpunten herinner ik me niet meer. Wel een bal die voor het doel langsging waar een Roda-speler op kwam inglijden. Hij miste, maar gleed prachtig door over het groenste gras (de lampen waren inmiddels aan!) dat ik ooit gezien heb.

Het bleef daardoor 0-2. Het commentaar langs de kant werd negatiever. Over de spelers van Roda in het algemeen: ‘Schloafkoppe’ en Dick Nanninga in het bijzonder: ‘Sjteit deh lange wir ze schloafe.’Het kon me niet schelen. Ik stond hier, in Kerkrade, langs een hek ijs te eten, terwijl mijn vader een arm om me heen had en grapjes maakte met mannen van wie ik het dialect maar half verstond, als een mobiele telefoon waarvan de verbinding soms wegvalt. Voor en om me heen zag ik de volle tribunes met plukjes Ajax-supporters met rood-witte gezichten. Het veld lag in een warm bad van licht zoals licht bedoeld is. En op dat veld zag ik de spelers. In het echt. De Ajax-spelers snel en lichtvoetig. De Roda-spelers iets minder, maar toch ook nog veel sneller dan bij Studio Sport. De kluiten vlogen in het rond.

Na de 0-3 en met nog 15 minuten te spelen, stelde mijn vader voor te gaan, zodat we niet in een helse file zouden belanden. Ik vond het prima. Ik had genoeg prikkels gehad voor één avond. Het was genoeg zo. Ik had het bewijs dat er een werkelijkheid achter Studio Sport zat die nog mooier was dan het beeld. In feite onthulde mijn vader dit bewijs door met mij naar de wedstrijd te gaan wat me een niet te beschrijven gelukzalig gevoel gaf.  Niet onbelangrijk detail: ik wilde mijn vaantje veilig Kerkrade uitkrijgen en thuis op mijn kamer ophangen, zodat ik, ernaar kijkend, deze avond meteen terug zou kunnen halen. We reden naar huis, ik rende naar mijn moeder, liet buiten adem het vlaggetje zien, hield mijn lippen stijf op elkaar over de terugkeer van Caballero en keek samen met mijn vader naar Studio Sport. We zagen Dick Nanninga tien minuten voor de tijd voor een misgrijpende keeper de 1-3 inkoppen.

Filed under  //  Voetbalverhaaltjes  
Dec 25 / 12:59pm

Voetbalverhaaltje

 

Pannenkoek

 

De orgelles op woensdagmiddag was de ingangseis om lid te worden van een voetbalclub. Natuurlijk wilde ik op voetbal. Logisch! Er waren echter serieuze belemmerende factoren.

Ik judode al en bovendien had ik zwemles. Dat hoort bij de opvoeding en het is inderdaad handig om te kunnen zwemmen.  Niet dat ik er geen enorme hekel aan had.

Op zondagochtend moesten mijn zusje en ik ons op een abnormale tijd vervoegen in het Prins Willem Alexanderbad in Geleen.  Als ik er aan terugdenk, zie ik een enorm zwembad voor me. Ik heb me er nooit op mijn gemak gevoeld. In geen enkel zwembad trouwens. De banen waren oneindig lang en er klonk een constante, angstaanjagende herrie. Dat geluid kwam van het geschreeuw van pubers die mij met hun lompe gespat meerdere malen rode ogen bezorgden.  Verder krijsten er vanuit alle hoeken kleine kinderen hartverscheurend. Daaroverheen schreeuwden de badjuffen hun aanwijzingen terwijl ze achteruit liepen en hengelend een haak die leek op een enorm tandartswerktuig boven het water hielden. In die entourage heb ik leren zwemmen.

 

De judolessen werden gegeven door een kleine, gedrongen, bloedserieuze man die onder zijn lessen en passant zijn zoon die bij mij in de groep zat, een ADHD’ er van het zuiverste water, manieren leerde. Ik heb hier geen slechte herinneringen aan, want ik voelde wel aan dat deze judomeester zijn les nooit zou laten ontsporen. De grotere jongens en hoger geschoolde judoka’s lieten het wel uit hun hoofd om ons, beginners, aan te pakken. Uit een waarschijnlijk volkomen terechte angst voor de represailles van de opperjudoka.

Hoewel de lessen te doen waren, heb ik er niets aan gehad. Als ik ongelukkig val, breek ik net zo goed mijn arm als iedereen, ondanks de kunst van het “valbreken” die ik daar in Geleen op die benauwde zolder heb geleerd. Die kunst was, dat je tijdens het op de grond komen zo hard mogelijk met je arm op de mat moest slaan. Beetje dubbelop lijkt me. De trucs die ik leerde, waren ook niet van dien aard dat ik me nu des avonds op mijn gemak door Hoog Catherijne begeef. Misschien had ik door moeten zetten na de oranje band, maar ik waag te betwijfelen of judo me ooit uit een benarde situatie had kunnen redden.

 

Omdat we thuis niet van de straat waren, was muziekles onvermijdelijk. Mijn moeder bepleitte een piano. Mijn vader echter prefereerde een muziekinstrument waaraan een stekker zat. Een orgel dus. Met welke argumenten hij mijn moeder heeft kunnen overtuigen, weet ik nog steeds niet, maar feit was dat wij ineens een orgel in ons huis hadden staan. Een groot bruin apparaat met pedalen aan de onderkant, een ritmebox rechts en twee rijen toetsen. Een Cosmovox F10.  Nadat mijn vader en ik alle ritmes meerdere malen hadden laten spelen, daarbij een rode toets indrukkend (waaronder een lampje zat!) waardoor je maar 1 toets hoefde aan te slaan om een akkoord te horen, greep mijn moeder in: iedereen ging op les, want het was geen speelgoed. We volgden de lessen in een ruimte achter een muziekzaak die gespecialiseerd was in orgels in het algemeen en Cosmovoxen in het bijzonder.  Mijn zusje en ik hadden elke woensdagmiddag les, mijn ouders waren zaterdagochtend aan de beurt. In het begin ging het nog wel aardig. Tenminste bij mijn zusje, mijn moeder en ik. Mijn vader daarentegen had een lastig probleem dat eigenlijk onoplosbaar bleek.

 Toen hij het vijfde liedje wilde leren, heeft hij helaas moeten afhaken omdat zijn vingers te breed waren voor het F-akkoord dat in dat liedje voor het eerst aan bod kwam. Ik ben tot nummer zestig gekomen. Jaren ben ik op woensdagen naar de orgelles geweest. Meestal met pijn in mijn maag, omdat ik in plaats van 1 uur per dag, 20 minuten per week oefende.  Daarbij kwam dat we een rapport kregen. Ellendig. Ik had telkens een 5.5 of 6- voor Vlijt wat thuis nogal wat gelazer opleverde. Met mijn moeder. Mijn vader bemoeide zich met dit deel van de opvoeding niet zo.  Toch had die orgelles ook goede kanten: ik kan noten lezen en ik speel nog steeds met verve liedje -40- Taxi’s of Paris-, een prachtnummer waarin je ook alle pedalen in een soort solo moest gebruiken.

Veruit het belangrijkste was echter dat ik met de orgellessen als wisselgeld, de judolessen mocht inruilen voor een heus lidmaatschap van een voetbalclub. Een raadselachtige opvoedkundige goocheltruc, maar ik vond het een werelddeal: alsof je bij het wisselen heel veel dollars krijgt voor je gulden.

 

Nu gaat het erom mijn herinneringen helder te krijgen. Sommige zijn haarscherp, andere wat vervaagd. Allereerst moest ik een voetbalclub kiezen. Dat was simpel, want bijna alle jongens in mijn klas voetbalden bij sv. Sweikhuizer Boys te Sweikhuizen. Op ongeveer dezelfde afstand van ons huis lag weliswaar het veld van sv Schinnen, maar daar voetbalde bijna niemand die ik goed kende. Alleen wat jongens die familierelaties in Schinnen hadden en dientengevolge daar hun sporen verdienden.

Ik had geen torenhoge verwachtingen van mijn voetbalkunsten. Ik zag de Boys niet als een opstap naar een grotere club of iets dergelijks. Mijn inschatting bleek helemaal goed te zijn.

Wel verwachtte ik een professionele organisatie en een entourage die dicht in de buurt van een eredivisiewedstrijd zou komen. Alleen dan met kleinere spelertjes. Dat bleek een misvatting. Om me te oriënteren ging ik samen met mijn vader een oefenwedstrijd van mijn toekomstige team kijken. De jongens speelden tegen Schinnen. Wat me tegenviel, was dat de spelers niet allemaal op een rij gingen staan om vervolgens met een simpel handgebaar het publiek te groeten. Ik begreep best dat voor een oefenwedstrijd geen volkslied gespeeld zou worden, maar “gewoon” beginnen, was het andere uiterste. Daarbij kwam dat de scheidsrechter in een trainingspak liep en de grensrechters vaders waren die in hun gewone kleren onwennig langs de lijn stonden met een geleende vlag. Zo moest het dus niet. Ik weet dit in eerste instantie nog aan het verschijnsel oefenwedstrijd, maar helemaal gerust was ik er niet op.

Wat wel goed was, was dat Sweikhuizen geheel in het wit speelde en niet in hun blauwwitte tenue omdat de tegenstander normaliter ook in een blauw shirt speelde. Er waren dus twee tenues!

Het was echter nu helemaal niet nodig geweest, omdat Schinnen deze uitwedstrijd in oranje shirts speelde. Communicatie! Zo belangrijk. De nummers ontbraken op elk shirt. Jammer.

De wedstrijd zelf eindigde in 0-0 wat ik goed vond, want dat is een stand die in het echt heel vaak voorkomt. Beter dat, dan 0-6, of 7-3 of iets dergelijks.  Tactisch stond het in elk geval goed. Dat was een hele geruststelling.

Vanaf dat moment volgde ik wekelijks de trainingen. Die vielen me een beetje tegen. Belangrijkste minpunt was dat we nooit op echte goals trainden. Met netten bedoel ik. Ik herinner me dat we een keer penalty’s mochten schieten op het hoofdveld. Helaas schoot ik als enige tegen de keeper aan, die ook niet wist wat hem overkwam.

Na de training stonden op een groot zwart bord in de kleedkamer de namen van de jongens die de volgende zaterdag mee mochten doen.  Ik hoorde bij het groepje dat na elke training  nerveus het bord scande op de eigen naam. De eerste twee keren stond ik er niet bij wat niet onlogisch was, want ik kwam net kijken. Maar na de derde training stond mijn naam erop. Vrij ver onderaan en verkeerd geschreven, maar het ging om mij!

Tot mijn grote schrik besefte ik dat ik die zaterdag helemaal niet kon voetballen omdat mijn ouders meenden op wintersport te moeten gaan. En ik moest mee. Nou klinkt wintersport heel leuk, maar wij gingen langlaufen wat toch een soort wandelen in de sneeuw is. En juist dat wandelen ergens in Zuid-Duitsland zou mijn debuut doorkruisen. Uiteraard heb ik geprobeerd mijn ouders op andere gedachten te brengen. We zouden een dag later kunnen vertrekken in plaats van direct na school. Ik zou zo met mijn voetbalkleren nog aan in de auto kunnen springen en we zouden weg kunnen scheuren. Maar nee, dat was te koud en er kwamen nog genoeg wedstrijden. Ook de volgende keer dat ik op het bord stond, uit tegen Quick Geleen, werd mijn debuut uitgesteld omdat de wedstrijd wegens de weersomstandigheden, die wat mij betreft reuze meevielen,  afgelast werd.

Toen ik enkele weken later, thuis tegen De Ster uit Stein eindelijk mocht spelen, was ik op van de zenuwen. Ik stond rechtsback en we wonnen de wedstrijd met 3-0. Omdat de shirts van de club op waren, had mijn moeder een shirt voor mij gekocht. Dit was echter van een andere kleur blauw dan dat van mijn teamgenootjes wat me een status aparte gaf waar ik niet op zat te wachten. Het veld was overigens enorm groot. Op de training stond ik nog wel eens op de goede plek en pikte ik mijn doelpuntje mee. Soms maakte ik mezelf wijs dat ik een neus voor de goal had. Die neus was ik in de wedstrijd echter volledig kwijt. Ik voelde me verdwaald op dat grote veld. Dat had mede te maken met mijn plichtsbesef. Als rechtsback voelde ik mij sterk gebonden aan de rechtsachterpositie en aangezien de hele wedstrijd zich op de helft van De Ster afspeelde, kwam ik in het stuk niet voor. Mijn collega-voetballers hadden er geen last van, die stortten zich als een roedel wilde honden op de bal. Bij een corner van ons heel ver weg aan de overkant, heb ik, nadat ik goed gekeken had of niemand me zag, een paar maal gedecideerd met mijn witte broekje over het gras geschuurd, om een groene schijn erover te krijgen, zodat het leek alsof ik als rechtsback behoorlijk vaak had moeten ingrijpen met een sliding. Ondanks dat werd ik in de rust gewisseld.

Mijn grauwe debuut was een perfecte vooruitwijzing naar mijn verdere carrière. Nooit in de as gespeeld, nooit gescoord,  zelfs nooit een volledige wedstrijd gevoetbald.  Ik was zelfs niet de perfecte twaalfde man. Het eufemisme voor de voetballer die niet goed genoeg is voor de basiself maar die bij blessures of schorsingen van anderen zonder veel schade aan te richten, kan meehobbelen. 

Overigens is sv Sweikhuizer Boys inmiddels opgeheven. In onze vroegere kleedkamer zit nu De Bokkenrijder: het adres voor een overheerlijke pannenkoek.

Filed under  //  Voetbalverhaaltjes  
Dec 25 / 12:16pm

Jaarlijstje 2009

Jaarlijstje

 

  1. Wild Beasts
  2. Girls
  3. Fuck Buttons
  4. Moderat
  5. The xx
  6. Wilco
  7. Arctic Monkeys
  8. Martyn
  9. Fever Ray
  10. Madness
  11. Animal Collective
  12. Grizzly Bear
  13. Anne Soldaat
  14. DJ Hell
  15. Herberg de Troost
  16. Fink
  17. The Juan Maclean
  18. Peter Doherty
  19. Dinosaur jr.
  20. Gasoline Brothers
Filed under  //  Jaarlijstje 2009